| wetenschap |
|
|
|
|
Er zijn ook wetenschappers die staan voor de wetenschap ! 1. VISwijzer en MSC werken averechts Dr. Martin Scholten Directeur van Imares ( Rivo TNO en Alterra ) 2. VISwijzer wees toch wijzer Dr. Dolf Boddeke VISwijzer en MSC werken averechts IJMUIDEN, maandag 14 april 2008 – De VISwijzer en het MSC-label hebben een averechts effect. Dat is de mening van niemand minder dan Martin Scholten, directeur van het onderzoeksinstituut Wageningen IMARES. Scholten is en blijft kritisch, en vindt het onterecht dat alle Noordzeevissers over één kam worden geschoren. Scholten uit al langer kritiek op de VISwijzer en het MSC-keurmerk. Bijvoorbeeld in zijn column op www.visserijinnovatieplatform.nl. Hij vroeg zich daarin af of we in Nederland de goede initiatieven van onze vissers wel willen zien en waarderen, en schreef dat het veel te kort door de bocht is om te stellen dat de boomkor niet duurzaam kan zijn. Dat Noordzeeplatvis niet duurzaam is en steeds meer supermarktketens dat geloven, is naar de mening van Scholten een bedenkelijk dogma. ,,Er is echter ook Noordzeevis die heel zorgvuldig wordt gevangen, en nu een ´rood’ stempel heeft, maar voor mij hartstikke ´groen´ is. Als we daarvoor zouden kiezen beloon je de zorgvuldige visser en verdwijnt de ´rode Noordzeevis´ als vanzelf naar de achtergrond. Daarmee bewerkstellig je pas echt een omslag naar zorgvuldige, oftewel duurzame visserij´´, aldus Scholten in zijn column. Maar zelden was Scholten zo scherp als vorige week in ‘Van Vis tot Vis’, een rubriek met havenverhalen in de IJmuider Courant. Voor de IJmuider Courant reden er ook apart op de voorpagina aandacht aan te schenken. ,,Neem nou de Noordzeeschol die op de rode lijst van de VISwijzer staat, omdat deze vis niet op duurzame wijze gevangen zou worden. Stel je voor dat de consument die gedachte overneemt, dan verdwijnt de schol straks tegen achterlijk lage prijzen als bulkproduct. Het was veel beter geweest om uit te vissen welke vissers schol wel en niet op een zorgvuldige wijze vangen, zodat je groene schol en rode schol aan de consument kunt bieden. Het gaat me ook aan het hart dat alle vissers worden afgeschilderd als cowboys die de natuur vernietigen. De VISwijzer speelt de enkele cowboy die dat wel doet juist in de kaart’’, aldus Scholten over de door Stichting De Noordzee en het Wereldnatuurfonds gepromote VISwijzer. In het verlengde van de kritiek op de VISwijzer is ook de scepsis over het MSC-keurmerk. ,,Wat van ver komt lijkt veel makkelijker een MSC-certificaat te krijgen dan de Noordzeevisserij. Ik kan me niet voorstellen dat het eten van vis die aan de andere kant van van de wereld is gekweekt, ingevroren en verscheept duurzaam is. We eten vis uit Noorwegen, Chili, Alaska, Nieuw-Zeeland en Azië. Dat vind ik vreemd. De productie en consumptie van vis zouden veel dichter bij elkaar moeten liggen. Hollanders zouden zorgvuldig gevangen Noordzeevis moeten eten.’’ Scholten staat niet alleen in zijn kritiek dat goedwillende Noordzeevissers worden gedemotiveerd doordat een hele visserij zwart-wit (in dit geval: rood-groen) wordt beoordeeld. Hij bevindt zich in goed gezelschap van mensen als publicist Wouter Klootwijk. En ook de nationale overheid en de EU waarschuwen voor de keerzijde van de eco-keurmerken. Scholten ervaart overigens dat de ngo´s niet doof zijn voor de kritiek. Het Productschap Vis is blij met de heldere kritiek van IMARES-directeur Scholten. Voorzitter Jan Odink van het PVis dringt al een half jaar bij het ministerie van LNV aan om partijen bij elkaar te brengen, zodat gezamenlijk gewerkt kan worden aan een breed gedragen soort VISwijzer ofwel eenduidige communicatie richting consument. Minister Verburg heeft een- en andermaal aangekondigd haar bijdrage daaraan te willen verlenen. Omdat vrijwel alle Noordzeevis in de VISwijzer in het rood staat, haalt deze het Nederlandse visserijbeleid onderuit. LNV investeert in een duurzamere Noordzeevisserij, maar als consumenten worden aangespoord onze vis links te laten liggen krijgen vissers de kans niet om die omslag te maken. In besprekingen tussen sector, ngo’s en overheid over een maatschappelijk convenant brengt het visserijbedrijfsleven in dat de VISwijzer hen heel hoog zit. Dr. Dolf Boddeke
Laten wij dit verhaal beginnen met de situatie van de zeevis in de wereld. De jaarlijkse mondiale vangst van vissen, kreeftachtigen en schelpdieren verdubbelde van 1950 tot 1990 en bleef daarna vrijwel constant, schommelend rond een niveau van 90 miljoen ton. De wereldzeevisvangst wordt grotendeels bepaald door enkele tientallen soorten. Van de 23000 vissoorten op aarde ziet het grootste deel nooit een net.
Fluctuaties in de wereldvisvangst worden hoofdzakelijk veroorzaakt door één soort, de Peruaanse ansjovis die in normale jaren goed is voor een aanvoer van 9-10 miljoen ton. In “El Niño” jaren, als de aflandige wind in Peru uitvalt, zakt de aanvoer van deze soort echter naar 2 miljoen ton of minder.
Vrijwel alle andere soorten die in belangrijke mate de wereldaanvoer van zeevis bepalen, vertonen wat betreft de aanvoer een opmerkelijke stabiliteit over een lange reeks van jaren. Daarvoor zijn twee hoofdoorzaken: Allereerst telt bijna iedere commerciële soort een groot aantal populaties. Van de schol bijvoorbeeld zijn er alleen al in de Noordzee vijf. Het gaat gewoonlijk niet met iedere populatie tegelijk goed of slecht.
Een tweede belangrijke reden voor dit stabiele beeld is dat door intensiever vissen de opbrengst in kilo’s al gauw niet meer omhoog gaat, maar ook niet snel omlaag. Commercieel belangrijke vissoorten hebben allerlei eigenschappen om extra verliezen op te vangen. De overleving van larven wordt dan beter, de groeisnelheid gaat omhoog en het gemiddelde formaat van de dieren gaat omlaag maar de aantallen omhoog.
Te intensief vissen is economisch onverstandig, er worden te hoge kosten gemaakt om dezelfde hoeveelheid vis te vangen, maar is sociaal vaak gunstig. De opbrengst wordt dan namelijk verdeeld over een groot aantal vissers die zo allemaal de kost verdienen. Biologisch is geen enkel bezwaar tegen economische overbevissing.
De onmetelijke wereldzee is gemiddeld vier duizend meter diep en visserij is iets van de kustzone en het oppervlak. Visserij met netten houdt op bij een diepte van 100- 200 meter. Zeevisserij is met recht een randgebeuren.
Het “plunderen van de wereldzee”, “het leegvissen van de oceanen door piratenvloten” , “het uitsterven van vissoorten” is kretologie van milieugroeperingen richting de media, gespeend van ieder besef van dimensies en met negeren van de feiten. Maar met de mededeling “business as usual” haal je de krant niet en alles draait bij dergelijke organisaties om publiciteit.
In de Noordzee worden al vanaf 1903 statistieken van de visaanvoer bijgehouden. En van 1903 tot 1955 was de aanvoer van bodemvis bijzonder constant, ongeveer 400.00 ton per jaar, gevangen door grote aantallem vissers en schepen. Een beeld gelijk aan wat wij nu nog zien in de wereldzee als geheel. Na de twee wereldoorlogen werd in de Noordzee een paar jaar iets meer gevangen maar daarna zakt de vangsten weer snel terug naar het normale peil. Het ecosysteem kon deze hogere vangsten kennelijk niet blijvend leveren.
De vangst van Noordzee bodemvis was in 1903-1955 een afgeleide van het lage natuurlijk produktievermogen van het Noordzee ecosysteem. Behalve stabiliteit in het ecosysteem is voor het ontstaan van een dergelijk patroon ook noodzakelijk dat de visserij zo intensief is dat de visserij de jaarlijkse oogst ook binnenhaalt. En dat was zeer zeker het geval.
De Nederlandse visserij was een afspiegeling van het totaalbeeld. In 1935-1938 telde de bedroevend beetje vis aan, met bittere armoede als gevolg
Na 1955 trad echter een sterke verhoging op van het natuurlijke productievermogen van de Noordzee, in het bijzonder het zuid-oostelijke deel. De jaarlijkse aanvoer uit de Noordzee van bodemvis steeg, van het historische niveau van 400.000 ton tot 1.2 miljoen ton rond 1980. Vooral de Nederlandse vissers profiteerden van deze grotere vangstmogelijkheden. Zij begonnen steeds grotere schepen te bouwen met zwaardere motoren en gingen steeds meer aanvoeren.
Toen ik daarover eens mijn bezorgdeid uitsprak tegen een Urker visser, was het antwoord: wij bouwen meer schepen, de Heer zorgt voor meer vis. Zoals u bekend zal zijn kiest de Heer zijn werktuigen. In dit geval huisvrouwen met wasmachines. De fosfaatrijke wasmiddelen die na 1955 in gebruik kwamen, zorgden via riolen en rivieren voor een grotere afvoer van fosfaat naar de kustzone waar de kinderkamers van verschillende belangrijke vissoorten liggen en ook kokkels en mosselen worden geoogst.
Fosfaat is schaars in zee en deze onmisbare bouwsteen voor het leven bepaalt uiteindelijk de natuurlijke productie. Na 1960 nam de aanwas van jonge dieren van tal van soorten toe en steeg ook de groeisnelheid en de eiproductie. De Nederlandse visserij voerde rond 1980 tienmaal zo veel schol en kabeljauw aan als in de “goede oude tijd” die bepaald niet goed was.
Aan deze jaren van voorspoed kwam een einde na 1985. De afvoer van fosfaat naar zee begon toen drastisch te dalen door milieumaatregelen gericht op het zoete water, zoals rioolwaterzuivering in Duitsland en fosfaatvrije wasmiddelen in Nederland, Frankrijk en Engeland.
De bestanden en vangsten van vissen en schelpdieren begonnen weer, volgens een voorspelbaar patroon, af nemen. Na 1990 is in de Nederlandse visserij daardoor een situatie van permanente crisis ontstaan, nog verergerd door de als maar stijgende olieprijzen. Plannen om de visproduktie weer op peil te brengen door het lozen van geringe doses fosfaat zijn afgeketst op een muur van onwil en onkunde.
De Nederlandse visserij krimpt momenteel snel, in overeenstemming met de afname van de natuurlijke productie van vis en schelpdieren. Dat wil niet zeggen dat de bestanden van soorten als tong, schol, kabeljauw in gevaar verkeren. Zij zijn of gaan alleen terug naar de situatie van vóór 1960. U kan dus gerust verse zeevis blijven eten en u moet zich niets aantrekken van gekrijs over overbevissing door milieugroeperingen. De visserijdruk op de diverse visbestanden is nu veel lager dan 20 jaar geleden.
Er speelt nog een andere factor mee. Nederlandse grootwinkelbedrijven zien niets in verse vis. Zij verkopen veel liever in Aziatische landen gekweekte, smakeloze zoetwatervis. Deze wordt daar ook gefileerd en diepgevroren en is op de wereldmarkt voor een beschamende krats te koop.
Acties van milieugroeperingen om via een Viswijzer de Nederlandse consument te bewegen een aantal belangrijke soorten die vers worden afgezet niet te kopen, kunnen dus rekenen op de stilzwijgende instemming van supermarktketens, die maar al te graag voor deze druk door de knieën gaan.
Laat u niets wijsmaken. Zoek een goede visman, kijk wat hij heeft liggen en maak uw keuze op basis van enige warenkennis. Om te beginnen de namen van de diverse soorten.
De aanvoer en de kwaliteit van de verschillende soorten wordt namelijk sterk beinvloed door het seizoen. Schol is nu prima maar in de paaitijd (januari) veel minder van kwaliteit. In de zomer worden zuidelijke soorten als heek en mul en pijlinktvis in de Noordzee gevangen en zijn dan heel vers te krijgen. Wijting is een vis voor oktober en november en dat is ook de beste tijd voor garnalen. Verse, kleine kabeljauw van onze kust is veel smakelijker dan diepgevroren grote kabeljauw uit Rusland of IJsland.
De prijs van vis wordt ook voor een deel bepaald door de houdbaarheid. Tong bijvoorbeeld blijft lang uitstekend van kwaliteit. Van schar, schelvis, wijting en rode poon loopt de kwaliteit veel sneller terug. Zij kosten daarom weinig, maar zijn vers bijzonder lekker.
Grote tarbot is zeer duur, door de vraag van restaurants. Kleine tarbot is vaak verbazend goedkoop en minstens zo lekker als grote exemplaren. In het algemeen geldt voor vis: de kleintjes zijn het lekkerst. En ze zijn nog het goedkoopst bovendien.
U kunt natuurlijk ook proberen verse vis zelf aan de hengel in zee te vangen. Vis zo gevangen, à la ligne zoals de Fransen zeggen, is onovertrefbaar van kwaliteit . Vissen met de hengel doe ik èèn dag iedere week, en meestal met succes. Zo slecht is het nu ook weer niet met de visstand.
|